Wat leuk dat mijn werk door steeds meer mensen wordt opgemerkt. Dat is niet helemaal nieuw, maar nu is er een mijnheer die op LinkedIn een aantal interessante punten opwerpt. Hij stelt eigenlijk geen vragen en wil ook niet met me in gesprek, maar ik wil toch graag gebruik maken van zijn voorzetjes om een aantal van de onderwerpen hier te belichten. Dan kan er een vruchtbare uitwisseling ontstaan tussen maatschappelijk betrokken vakmensen (regulier en complementair) onderling.

Bijvoorbeeld het concept ‘complementaire zorg’. Iedereen weet in principe wat het betekent, maar dat ‘weten’ is vaak erg oppervlakkig. Echt begrijpen is anders. Voornoemde mijnheer windt zich bijvoorbeeld ontzettend op over complementair therapeuten die ‘doktertje spelen’ en mensen behandelen die in de reguliere zorg thuis horen. Ik ben eens gaan kijken op de websites van de bij ons kwaliteitsregister (RBCZ) aangesloten therapeuten die hij met name noemt. Geen enkele van deze therapeuten zet zichzelf op de stoel van dokter. Allemaal kennen ze hun plaats: ze bieden aanvullende zorg, geen vervanging van de dokter. Dat staat expliciet op hun websites en van degenen die ik ken, weet ik dat dat geen lippendienst is.

Laten we het eens omdraaien: het zou wat zijn als alle zorg, ook het hele gebied van preventie (primair, secundair, tertiair), leefstijl, welzijn en knuffelbehoefte op het bord zou komen van artsen. Ze kunnen nu al de wachtlijsten niet aan. Er wordt overal geroepen dat er teveel mensen op de wachtlijst staan bij de GGZ die wel een hulpvraag hebben, maar eigenlijk niet thuis horen in de GGZ. Er is dus een (enorm) gebied waarin wel zorg wordt gevraagd, maar geen dokterszorg of zorg van een psycholoog. Dáár past de complementair therapeut. Complementair, aanvullend…dat zinnetje ‘geen vervanging van een bezoek aan je dokter’ is geen lege formule. We doen gewoon iets heel anders.

Nu zijn er natuurlijk ook mensen die vinden dat de reguliere zorg inferieur is. Die wél op de stoel van de dokter willen gaan zitten. Sommigen zijn hier heel luidruchtig over en maken polariserende inhoud op social media. Deze mensen begrijpen het concept ‘complementair’ óók niet zo goed. Dat is heel jammer, want wie de interne structuur van het complementaire veld niet kent, kan hierdoor niet zo gemakkelijk zien dat deze mensen niet representatief zijn voor de beroepsgroep. Aansluiting van een therapeut bij een beroepsvereniging is al een indicatie van kwaliteit, aansluiting bij een kwaliteitsregister nog meer, maar niet iedereen verdiept zich zo in die kwaliteitseisen. Dat weten we. Daarom reiken we ook uit om de interprofessionele communicatie te verbeteren. Waarover later meer.

Anyway, de meeste complementair therapeuten zijn dus niet polariserend. We hebben geleerd waar de grenzen liggen van ons vakgebied en we houden ons daar aan. Ook als cliënten eigenlijk veel meer van ons nodig hebben dan we kunnen bieden. Niet omdat ze veeleisend zijn, maar omdat ze geen zorg krijgen. Aan wie we dat te danken hebben, de politiek, de instellingen, de zorgverzekeraars, een verborgen, uitgestelde economische crisis, maakt niet zoveel uit. Ik hou meer van oplossingsgerichtheid dan van vingerwijzen. Er is niet voldoende zorg. Er zijn wachtlijsten. En als je als complementair therapeut het liefst alleen maar best-goed-functionerende-hoogbegaafde-jonge-vrouwen helpt, komen er toch cliënten op je pad die flinke problemen hebben en eigenlijk reguliere zorg nodig hebben. Of cliënten die al reguliere zorg hebben, maar daarnaast meer tijd en aandacht nodig hebben, emotionele bedding, een arm om ze heen, (aanvullende) traumabehandeling of trauma-sensitieve gesprekken, ondersteuning bij leefstijl, voeding, gesprekken over levensvragen.

Dan kom je als complementair therapeut met het hart op de juiste plaats en de gegevenheden van je vakdiscipline voor de vraag te staan, hoe vul je het begrip ‘complementair’ in voor elk individueel geval? Kun je zorg blijven bieden als iemand op de wachtlijst staat voor de specialistische GGZ? Wat kun je bieden als iemand al een regulier traject loopt? Hoe communiceer je met de regiebehandelaar of huisarts, waar spring je bij, waar blijf je af? Het zijn allemaal vragen waar (denk ik) alle complementair therapeuten een eerlijk, maatschappelijk betrokken en zorgvuldig antwoord op proberen te formuleren.

Gelukkig (nu komen we op de initiatieven om de communicatie en samenwerking te bevorderen), is dit jaar het COCOZ II onderzoek van het Louis Bolk Instituut afgerond, waarin handreikingen zijn gedaan om de samenwerking tussen complementair en regulier zorgverleners beter te laten verlopen. Zodat het begrip ‘complementair’ concreter vorm kan krijgen. Zodat we niet meer twee losse snelwegen zijn naast elkaar, naar dezelfde bestemming, zonder elkaars files te delen om het zo te zeggen.

De Stichting Complementaire Zorg Utrecht is ontstaan in de creatieve smeltkroes van reguliere en complementaire therapeuten tijdens de focusgroepen van het COCOZ project. De stichting geeft de handreikingen uit dit project praktisch handen en voeten door onder andere voorlichting aan en gesprekken met huisartsen, POH-GGZ’s en deelname aan de overlegtafel GGZ. Ook hier gaan we niet op de stoel van de reguliere zorgverleners zitten. We kunnen worden ingeschakeld als ondersteuning, in overleg met de hoofdbehandelaar. De stichting is een lokale partner, laagdrempelig en aanspreekbaar, met korte lijnen.

Bij een goede communicatie en samenwerking, kun je als complementair therapeut vragen ‘waar kan ik helpen?’ en ‘wat zal ik vooral níet doen bij deze specifieke cliënt?’. Het is niet zo moeilijk. We moeten er vooral niet overspannen over doen. Natuurlijk spelen we geen doktertje. We hebben veel makkelijker en leuker werk dan dokters. We hoeven niet te snijden, in acute stress heftige bloedingen te stelpen, geen gore slijmbulten uit te lepelen, niet te beslissen over leven en dood, geen mensen te behandelen die voor zichzelf of anderen onveilig gedrag laten zien, niet op ons werk te verschijnen als er een levensbedreigende ziekte rondwaart (je zal het maar opgedragen krijgen op een willekeurige maandagochtend). Dus de meesten van ons hebben een diep respect voor dokters.

Maar we verdienen zelf ook respect. We zijn er op tijden en plaatsen waar dokters er voor hun patiënten niet kunnen zijn. We verdienen bijna niks (waarover later meer), maar zijn bereikbaar als een cliënt paniek heeft die niet erg genoeg is voor de crisisdienst, maar wel een geruststellend woord nodig heeft (niet meteen wenselijk maar naar ik hoor van collega’s wél de huidige realiteit voor velen van ons). We zijn een extra eerstelijnszorg, of zelfs nullijnzorg, met ogen en oren om vroeg te signaleren en iemand de weg te wijzen naar de reguliere zorg als er een rode vlag begint te wapperen. We zijn de aanrakers in een wereld waar aanraken als ‘niet-professioneel’ wordt gezien. We zijn de bedding in een wereld waar productie moet worden gedraaid, zelfs in traumacentra. We bieden de ontspanning waar de huisarts steeds naar verwijst als hij/zij tegen de cliënt zegt: ‘het is belangrijk dat u stress vermindert’. We zijn de luisteraars in een wereld waar nergens meer tijd voor is. Niet omdat reguliere zorgverleners niet willen of kunnen luisteren, maar omdat ze daarvoor de tijd niet krijgen. Daar is geen geld voor.

En dat is natuurlijk het echte probleem. Er is nergens geld voor. In de reguliere zorg is te weinig geld voor tijd en aandacht, ook al zijn de meeste dokters vermoedelijk hun loopbaan begonnen uit idealisme en een wens om er voor anderen te zijn. In de complementaire zorg is sowieso nergens geld voor, want onze zorg valt buiten de basisverzekering, onze opleidingen worden niet gesubsidieerd en dat geldt voor al onze instellingen én voor gedegen onderzoek naar onze behandelvormen. Toch wordt van ons de kwaliteit van een publiek gesubsidieerde dienst verwacht, zonder de financiële ondersteuning die daarbij hoort. Eigenlijk alleen mensen met een goed inkomen kunnen gebruik maken van complementaire zorg. Of complementair therapeuten moeten voor vrijwel niks werken om toch hun bijdrage te kunnen leveren, terwijl ze worden onderhouden door een partner of een parttime baan naast hun praktijk. (Een gezond verdienmodel hebben de meesten van ons niet, behalve sommige zeer getalenteerde ondernemers met een volledig opgetuigde emailfunnel enzo.)

Zullen we dat eens gaan oplossen, in plaats van kibbelen over wie betere zorg levert, terwijl we eigenlijk perfect uitgerust zijn om elkaar aan te vullen? En voordat die geldstromen en randvoorwaarden in orde zijn, zullen we alvast de wachtlijsten gaan wegwerken en gaan samenwerken, zodat elke cliënt/patiënt terecht komt waar hij/zij hoort? Misschien wel op twee plekken tegelijk? Of misschien komen mensen met relatief lichte klachten dan zelfs níet in de GGZ terecht, maar bij een goed opgeleide, samenwerkende complementaire therapeut, zodat de GGZ zich kan gaan richten op degenen die nu vaak buiten de boot vallen, de mensen met een dubbeldiagnose bijvoorbeeld?

Gelukkig zeggen de meeste reguliere én complementaire zorgverleners ‘ja’ tegen samenwerking. De (beginnende) open communicatie binnen Utrecht tussen de huisartsen, GGZ en Stichting Complementaire Zorg Utrecht is hier een prachtvoorbeeld van. In de Ecosystemen Mentale Gezondheid wordt er ook aan gewerkt. Laten we iets goeds niet kapot maken vanuit een krampachtige, polariserende visie. We hebben wel wat beters te doen met elkaar.

Wil je meer lezen over de diverse initiatieven op dit gebied, klik op de onderstaande links.

Relevante links:

Het COCOZ II project (Communicatie Complementaire Zorg)

Stichting Complementaire Zorg Utrecht

Ecosystemen Mentale Gezondheid